zondag 31 augustus – 17e Boeken rond het Paleis
Beiaardconcert met gedichten van JACE van de Ven 

Drie poëzie-items die bij het beiaardconcert aan bod komen:

Op de tonen van de beiaard


I


muziek zal je van elke klokslag krijgen
gezang dat bij de nagalm bovenkomt
synchronisch lacht en huilt en goedig gromt
als één akkoord de rest wil overstijgen

de beiaardier op zijn klavier van stokken
weet dat zijn klokken anarchisten zijn
maar krijgt ze aaiepoezend op één lijn
om het gevoelig met hen uit te knokken

daar valt hij aan centraal en in de flanken
en heel het klokkenspel lijkt op de vlucht
te slaan maar hergroepeert zich in de lucht
waar het voorbij zweeft op zijn eigen klanken

 

II


grondtoon, klaagtoon,
boventoon is jubeltoon
fluittoon, juichtoon
maar dood is mijn broer Toon

sla er maar op
sla ze maar aan
van je bim bam beieren
klokken zijn geen eieren

klaagtoon, vraagtoon
jij vervloekte plaagtoon
waar is mijn broer Toon

sla er maar op
sla ze maar aan
van je bim bam beieren
klokken zijn geen eieren


III

uit de weg, uit de weg
sms-jes, e-mails, tweets
tv-signalen, al wat vliegt
ik ga aan de kant voor niets

zijn jullie ook verzonden
door een klap op een stok
langs een touw en een klepel
die een hengst gaf op een klok

jullie vragen waar ik heenga
wie mij download her en der
ik denk niemand hier beneden
klokgelui vliegt veel te ver

de tonen van de beiaardier
moeten reizen zonder end
de deur waarop zij kloppen
ligt voorbij het firmament

IV

voor wie de klok luidt
rataplan
zakenman of ambachtsman
voor wie de klok luidt
rataplan

voor wie de klok luidt
bon-vivant of charlatan
rataplan

voor wie de klok luidt
Koerdistan of Kanaän
rataplan

de klok luidt en passant
rataplan voor alleman
voor wie de klok luidt
die is eran

(c) 2013 JACE van de Ven

 

De beek

Waar begonnen, was er eerst de zee
Of de sneeuw die drup drup drup weer water
Werd, dat neerwaarts ging en niet veel later
Stroompje was, dan beek van lieverlee

Als een kind bokspringt het naar benee
Blinkend in het zonlicht, dan weer staat er
Vol de maan op en geregeld gaat er
Spiegelend een wolk of boomkruin mee

Geile woerden, vis die springt en blinkt,
In een rietkraag staat de reiger stijf en
laat alleen de blaadjes langs zich drijven

Alles stroomt voorbij, maar oud instinct
Roept zalmen terug, krioelende lijven
Vechten naar wat was om daar te blijven

De rivier

Dorst en honger stilt hij navenant
Kop omlaag drinken de koeien, sloten
Die het akkerland bevloeien, blote
Kinderen spelen op een stukje strand

Dan fabrieken aan een kadewand
Ongerust gaan toeterende boten
Langs centrales die hun gal uitstoten
Gulzig zuigt een zandzuiger naar zand

De rivier verschiet hier als grafiet
Kolkt wanhopig een ontgoocheld lied
Dat er een beloofde land zou komen

Het echoot als menselijk verdriet
Maar gedane zaken keren niet
Voortgaand vervluchtigen de dromen

De zee

Al wat leeft passeert de oceaan
Stromen die van hoge bergen kwamen
Onderweg een eigen staat aannamen
Zijn deinend in de branding vergaan

Heel hun wezen tastend afgestaan
Toen zij met andere samenkwamen
Uit hun bitter, zoet en zuur tezamen
Zal het zout van nieuw begin ontstaan

Soms gaat over golven een iel beven
En ’s nachts lijkt het water licht te geven
Elke druppel is opnieuw bevrucht

Onlangs leek ten dode opgeschreven
Wat straks zwanger naar de zon zal zweven
En weer neer zal vallen uit de lucht

 

Jeroen Bosch schildert weer

Er kwam een nieuwe taal, een nieuwe werkelijkheid 
Na iura, steen- en ijzertijd, computertijd 
God zelf trad terug, de muis beval wat van belang was 
En van het kwade virus heel de wereld bang was 

Met megabytes in plaats van cellen in zijn lijf 
Een keyboard in zijn kop, als hart een harde schijf 
Zo vloog de mens van hot naar her en schoot in stress 
Bij stilstand; dan zag hij het zwaard van Damocles 

Geluk lag als een Minotaurus in dit labyrint 
En eiste dat er steeds geconsumeerd werd, blind 
Gehoorzaamde de mens, liep verder vretend rond 
En wees zijn kroost als les de weg van mond naar kont 

De wereld leek één feest, van bier en wijn gemorst 
Van vreten zonder honger, zuipen zonder dorst 
En uit de winkels sjouwden rijken volle zakken 
Langs legers losers; die hadden nìks te makken 

Wie niet bij kon houden kreeg geen tijd te dromen 
Meerennen moest je om de werkelijkheid te ontkomen 
Desnoods op speed of coke of gif uit iele naalden 
Zo dacht de mensheid op te stijgen, maar zij daalde 

Dus schildert Jeroen Bosch de kim weerom in brand 
En mensen mensen moordend wapens in de hand 
En in zijn hol een muis die ernaar kijkt en lacht 
We zien de hel waar eens de hemel was gedacht.


© JACE van de Ven